Maak een afspraak!

Ik ben kapster, maar ik werk nooit.

En het grappige is: ik wilde helemaal geen kapster worden.

Als klein meisje wilde ik dierenarts worden. Mijn liefde voor dieren was heel groot. Het maakte me niet uit wat voor dier, als ik maar iets met dieren kon doen.

Dat ik uiteindelijk kapster zou worden, had ik toen nooit kunnen bedenken. Ik kende het beroep kapper namelijk helemaal niet.

Op de middelbare school moest ik op een gegeven moment een richting kiezen. Welke vakken bij me pasten, wat ik later wilde gaan doen. En laat ik nou precies iemand zijn die daar ontzettend goed in was… kiezen.

Ik kreeg een beroepskeuzetest en daarvoor moest ik helemaal naar Den Haag. Een hele dag testen. Lezen, inzicht, schrijven, van alles.

En toen kwam de uitslag.

Ik bleek goed met mensen en creatief te zijn. Daar kon je alle kanten mee op. Van banketbakker tot werken met ouderen. Er kwam van alles voorbij.

Zelfs degene die de uitslag uitlegde zei op een gegeven moment: “Nou ja, hier kun je eigenlijk nog steeds niks mee.”

Dat vond ik dan weer wel duidelijk.

Kapster stond ook tussen de mogelijkheden. Alleen wist ik helemaal niet wat dat beroep inhield.

Ik ging bijna nooit naar een kapper. Mijn moeder knipte mijn lange, donkere, gladde haar meestal gewoon zelf in de keuken. Ze kamde mijn haar recht naar beneden om me heen, liep met een schaar om me heen en knipte er een randje af.

Dat was voor mij een kapper.

Heel vroeger kwam er soms een thuiskapper. Een oude man met een grote schaar. Maar een echte salon, met allemaal kappers die de hele dag met haar bezig waren? Daar had ik geen beeld bij.

Ik wist dat een kapper haar knipte. Maar wat je verder allemaal deed als kapper, daar had ik geen idee van.

Ik kon dus nog steeds niet kiezen.

Ik wist vooral wat ik níét wilde. Ik wilde niet met ouderen werken, niet de zorg in en ook geen banketbakker worden. Het voelde allemaal niet goed.

Mijn moeder zei uiteindelijk: “Weet je wat? Je gaat naar de kappersopleiding en jij wordt kapster.”

En zo gezegd, zo gedaan.

Mijn moeder kende mij waarschijnlijk beter dan ik mezelf op dat moment kende.

De kappersopleiding duurde ongeveer drie jaar. Het was een echte beroepsopleiding. Dames en heren apart, en daarnaast moest je ook je middenstandsdiploma halen. Want als je later een eigen salon wilde, had je een echt vakdiploma en een middenstandsdiploma nodig. Dat is nu allang niet meer zo helaas maar dat is een ander onderwerp….

Mijn moeder zei: “Dan heb ik ervoor gezorgd dat jij te allen tijde geld kan verdienen. Dan heb ik mijn taak goed gedaan. En in die drie jaar dat jij naar de kappersopleiding gaat, ga jij gewoon nadenken wat je wel wilt doen met je leven. Maar dan heb je in ieder geval een beroep.”

Achteraf gezien was dat misschien wel het beste advies dat ik ooit heb gekregen.

Op de opleiding ging het praktijkgedeelte me goed af. Met theorie, economie en dat soort vakken had ik een stuk minder. Daar ging ik bijna op onderuit.

Met mijn klasgenoten had ik niet zoveel aansluiting, maar het vak zelf vond ik ontzettend leuk. Ik was goed met haar en met mensen. En daar bleek ik toch iets mee te hebben.

Voor mijn opleiding moest ik stage lopen. Omdat de school in Rotterdam zat, begon ik daar ook met mijn stage.

Ik kwam terecht in een heel grote salon met heel veel stoelen en vooral veel oudere dames. Ik waste haren, deed watergolven en permanenten.

Een jaar lang.

Ik dacht: prima, ik maak mijn opleiding af, maar dit ga ik echt niet de rest van mijn leven doen.

In mijn laatste jaar mocht ik opnieuw een stageplek kiezen. En toen kwam ik terecht bij een salon in Hoofddorp.

Dat was een heel andere wereld.

Een hippe, trendy en wat luxere salon, met een ontzettend leuke klantenkring. Een heel andere doelgroep als wat ik kende. Ik vond het daar geweldig. Ik leerde er enorm veel en bleef er uiteindelijk vijftien jaar.

Ik begon als stagiaire en werkte me op tot salonmanager.

En toen kwam het moment waarop ik dacht: volgens mij kan ik dit zelf.

Ik begon een salon in Haarlem samen met een VOF-partner. Later ben ik alleen verdergegaan met Identity Haircare.

En inmiddels ben ik al vijftien jaar ondernemer in het kappersvak en al 32 jaar kapster.

Als ik nu terugkijk, denk ik vaak aan mijn moeder.

Zij zei destijds: “Dan heb ik ervoor gezorgd dat jij te allen tijde geld kan verdienen.”

En wat heeft ze goed gezien dat dit zo goed bij me zou passen. Elke dag ga ik zo graag weer.

Want; als je doet wat je leuk vindt, hoef je nooit te werken.

Voor mij is dat echt zo.

Kapster zijn is voor mij nooit alleen maar haar knippen geweest. Volgens mij moet kapster bijna een soort roeping zijn. Je doet dit niet omdat je snel rijk wilt worden. Je moet er echt iets mee hebben.

Iedere klant vraagt iedere keer weer honderd procent van je.

Je kunt niet tegen een klant zeggen: “Sorry, ik heb vandaag even een slechte dag, dus ik knip je haar vandaag iets minder goed.”

In een kantoor kun je iets doorschuiven naar morgen. In het kappersvak niet.

Je werkt met tijdsdruk, prestatiedruk en ondertussen ben je ook nog bezig met iemands uiterlijk.

En dat laatste vind ik misschien wel het mooiste.

Wat jij doet, kan enorm veel invloed hebben op hoe iemand zich voelt.

Dat vertellen ze je niet op de kappersopleiding.

Maar juist dat stuk van het vak vind ik zo bijzonder.

Je kunt iemand laten stralen. Je kunt iemand blij maken.

Er is niets mooier dan mensen blij maken.

Dus als iemand mij vraagt hoe ik ooit kapster ben geworden, is het antwoord eigenlijk heel simpel.

Ik wilde het niet.

Mijn moeder besloot dat ik het ging doen.

En 32 jaar later kan ik alleen maar zeggen:

Ze had gelijk.

Ik ben kapster.

Maar ik werk nooit.


Deze column verscheen ook op mijn Substack. Wil je mijn nieuwe columns als eerste lezen? Abonneer je dan gratis op mijn Substack.